Meinweg
Wandelen

Nationaal Park “De Meinweg”

In Nationaal Park De Meinweg komen vele verschillende soorten vegetatiestructuren voor, variërend van droge heidegebieden tot vochtige broekbossen. Al deze systemen bezitten eigen kenmerkende soorten planten, bomen en dieren. In onderstaand overzicht worden enkele kensoorten aangegeven. In het Meinweggebied zijn tot op heden 767 soorten planten en bomen beschreven.

Broekbossen

Naast de zwarte els als dominerende boomsoort groeien in de kruidlaag meestal zeggesoorten en veenmossen. Het soortenrijkere elzenbroekbos vindt men in een 20 tot 30 meter brede zone aan weerszijden van de Roode Beek. De soortenrijkdom van het elzenbroek langs de Roode Beek heeft te maken met het zeer ijzerrijke grondwater. Hier groeien in de kruidlaag planten zoals de moeraszegge, bittere veldkers, slanke sleutelbloem, dotterbloem, bosbies, groot heksenkruid, groot springzaad en de beide goudveilsoorten. Het broekbos is goed te beleven op het vlonderpad dat langs de Roode Beek loopt, van Hotel St. Ludwig tot de Dalheimermuhle.

Vochtige en natte heide

In vochtige/natte heiden domineert de dopheide. De struikheide is er minder talrijk of zelfs geheel afwezig. Mooi ontwikkelde natte heide ligt bij de Rolvennen. In de vochtige en natte heiden van De Meinweg groeien naast de aspectbepalende dopheide ook veenpluis, ronde en kleine zonnedauw, witte snavelbies en zeer lokaal beenbreek, bruine snavelbies, veenbes en enige veenmossoorten. Bovendien zijn er op een enkel plekje ook planten van de heischrale graslanden aanwezig: liggende vleugeltjesbloem, klokjesgentiaan, tormentil, blauwe zegge, kruipwilg en heidekartelblad.

Paddenstoelen

Paddenstoelen zijn eigenlijk geen planten, maar ze moeten uiteraard wel genoemd worden. Op dit moment zijn 266 soorten paddenstoelen voor De Meinweg beschreven. Een bijzondere paddenstoel is het mijtertje, dat gevonden kan worden op kwelplekken.

Voor reptielen en amfibieën is het nationaal park een uitstekend leefgebied. Vooral de soortenrijkdom is kenmerkend voor De Meinweg. Men vindt er reptielen als de adder, zandhagedis, levenbarende hagedis, hazelworm en gladde slang. Deze dieren komen ’s zomers boven de grond en koesteren zich in de zon. De gladde slang is echter zo zeldzaam dat men hem niet vaak zal zien. Daarnaast komen er twaalf van de zestien inheemse soorten beschermde amfibieën voor, waaronder de heikikker, knoflookpad, alpenwatersalamander en vinpootsalamander. Het bekendste reptiel van De Meinweg is de adder. Volgens een schatting leven er hier ongeveer vierhonderd. Het ‘Beschermingsplan adder in Limburg’ wil die ontwikkeling stoppen en voorkomen dat de adderpopulatie nog verder terugloopt. . In de afgelopen jaren is een reeks aan werkzaamheden uitgevoerd met drie hoofddoelen: het optimaliseren van bestaand leefgebied, het verbinden van de verschillende deelpopulaties binnen de Meinweg en het uitbreiden van de populatie naar andere (grensoverschrijdende) natuurgebieden. Hiervoor is bos omgevormd naar heide, in eenvormige heidevelden kleinschalig geplagd en gemaaid, corridors in bosgebieden aangelegd die geïsoleerde heideterreintjes weer hebben verbonden e.d. De populatie adders lijkt zich weer voorzichtig te herstellen. Adders leven in vochtige heidevegetaties en in hakhout en bosjes langs bosranden. Op zonnige dagen in het voorjaar en de zomer liggen ze graag te zonnen. Ze voeden zich met kleine zoogdieren, amfibieën, vogels, wormen en insecten. U herkent de adder aan de donkere zigzagstreep op de rug. Vrouwtjes worden ongeveer 70 cm lang, mannetjes 65 cm. Om de twee jaar baart het vrouwtje zeven tot veertien jongen. Adders zijn giftig, maar zolang ze zich niet aangevallen voelen, hebt u niets van ze te duchten.

In het Nationale park “De Meinweg” is een uitgebreid knooppunten net uitgezet. Je kunt naar eigen inzicht een route lopen.

De tekst is afkomstig van de site van Natuuparken Zuid Limburg